Aanvullend menu

Originele Sleuteltermen uit Strategische analyse Public SPACE

strategy.jpeg

Public SPACE (2002) heeft drie unieke kenmerken: (a) het is een private, onafhankelijke Denktank, (b) niet met rationele pretentie, maar maatschappelijke missie (c) hanteert methode van strategisch vooruitkijken. Dit heeft de afgelopen 15 jaar geleid tot de lancering van eigen sleuteltermen, zoals De Maatschappelijke Onderneming, De Disruptieve Burger, PolderPaternalisme, ChinaZorg en Burgerschap in de Boardroom.

Die drie kenmerken wat uitgewerkt:

a. Public SPACE is een private en onafhankelijke Denktank, niet gelieerd aan of gefinancierd door rijksoverheid of lobbyisten, zoals brancheverenigingen en niet op zoek naar opdrachten of subsidies.

b. Public SPACE heeft geen rationele (ingenieurs-achtige of academische) pretentie, maar een missie, namelijk bevordering van actief burgerschap en maatschappelijk ondernemerschap, met name in publieke dienstverlening, zoals gezondheidszorg, onderwijs en pensioenen en ook in meer privaat georganiseerde sectoren met een groot publiek belang, zoals energieproductie en – distributie.

c. Public SPACE hanteert niet een methode van achteraf-analyseren van het verleden, maar een voluit strategische manier van kijken en denken: vooruit kijkend, alert op kansen en bedreigingen en van daaruit een zo objectief mogelijke analyse van sterke en zwakke punten en daarop gebaseerde aanbevelingen voor de beste stappen of koers.

Dit maakt de analyses en publicaties van Public SPACE vaak taboe- en belangen-doorbrekend, afwijkend van de gebruikelijke en vaak overdreven genuanceerde teksten in de professioneel gestuurde zgn. publieke opinie en zeker schurend ten opzichte van de dagdagelijkse common sense in het Haagsch Dorp. Dit leidt ertoe, dat de uitkomsten vaak eerst worden verguisd, afgewezen of genegeerd. Dit achten wij echter goed bewijs dat de betreffende strategische analyses dichtbij de juiste spanningen en krachtmetingen en dus ook heersende mythes en verdoezelingen zitten. Ik ga hier nu niet de aanbevelingen van Public SPACE van de afgelopen jaren aanhalen die het inmiddels tot mainstream agenda’s hebben gehaald, maar ga in op de bijdrage in sleuteltermen aan het heersende publieke debat, dus waar heeft Public SPACE de beleidsagenda en het frame van kijken van veel mensen en hun beslissers gestuurd?

Ik zie er nu vijf:

  1. Maatschappelijke Onderneming (2000)
  2. De Disruptieve Burger (2015)
  3. PolderPaternalisme (2015)
  4. ChinaZorg (2011)
  5. Burgerschap in de Boardroom (2014)

Allereerst, de Maatschappelijke Onderneming (2000): door mij ontwikkeld en uitgewerkt in mijn boek van 2000, gebaseerd op vele lezingen in de jaren 90. Het begrip wordt daar neergezet vanuit en onderbouwd met drie door mij als sterk geobserveerde richtingen:

1. de kracht van de oorsprong in het oude particulier initiatief, dus in actief en solidair burgerschap en daardoor het terechte private karakter van hun juridische positie

2. de noodzaak van ruimte voor commercieel aanvullende inkomsten, als ruimte en bewijs voor echte zelfstandigheid. In mijn analyse was de overheid te overheersend geworden en, ondanks diens retorische oproepen tot meer zelfstandigheid en ondernemerschap, zou diezelfde overheid in mijn ogen de knellende, bureaucratische banden niet zomaar losgooien

3. die beide gronden, terug naar burgerschap en meer ruimte voor marktinkomsten, leidden bij mij tot een beklemtoning van het nonprofit karakter van deze maatschappelijke ondernemingen: daardoor zouden burgers hen eerder of weer (bij velen was die connectie juist verdwenen!) herkennen als burgerinitiatief en zouden de marktinkomsten ten goede komen aan het publieke doel. Het zou kortom passen bij hun maatschappelijke missie, zowel uit het verleden als naar de toekomst. Daarmee zouden ze ook goed kunnen worden opgenomen in een publiek bestel.

Ten tweede, de Disruptieve Burger (2015), door mij geobserveerd in de groei van het organiserend vermogen van burgers onderling in nieuw burgerinitiatief, van zorg tot wonen tot energie, en in de hands-on, claim op zelfregie-mentaliteit van burgers, zichtbaar in o.a. het politiek debat. Natuurlijk als term komend uit de strategie literatuur, maar die suggereert teveel dat het zich alleen in de markt afspeelt (waar het immers een disrupterend effect heeft op bestaande marktpartijen). Voor mij was de onderliggende technologische revolutie zeer zichtbaar in zijn effect op de mentaliteit en positie van de burger in zijn/haar interactie met politiek en publieke dienstverlening. Ik heb het begrip uiteindelijk gelanceerd in FD in augustus 2015 en sindsdien heb ik hier zeer veel debatten en lezingen over geleid.

Ten derde, PolderPaternalisme (2015), het gaat hier om een gegroeide houding van veel bestuurlijke en collectieve arrangementen, voortbouwend op ons poldermodel, maar helaas leidend tot collectieve arrangementen waar de burger wel solidair voor mag meebetalen, maar het verder vooral passief moet ondergaan. Weinig vrijheid van keuze (pensioenfondsen), weinig transparante informatie bij keuze (zorgverzekeraars), weinig effect van eigen evaluaties en klachten (verpleeghuiszorg, hoger onderwijs) en weinig mogelijkheden op maat bij te sturen (co-creatie) (volkshuisvesting). Nu net allemaal zaken die de disruptieve burger inmiddels leert van de markt te verwachten en dus ook hier te claimen. Het meest extreem maakte de energiesector het een tijdlang met hun lobby tegen burgers die zelf energie gingen produceren, met uiteraard veel paternalistische argumenten: ‘Ze kunnen het niet. Het gaat onderuit na ruzie. Wat met kwetsbare burgers?‘ Ik was 8 jaar geleden in Gambia en zag daar dorpen die verder waren in hun eigen energieproductie dan Nederland! In mijn boek haal ik Duitsland als voorbeeld aan waarbij buurten zelf windmolens mogen adopteren en het daar qua alternatieve energie dus ook veel sneller gaat dan in ons gepolder. Ik heb het als subtitel opgenomen bij mijn laatste boek en merk in vele debatten dat velen in Nederland het herkennen, ook buiten het Haagsche Dorp.

Ten vierde, ChinaZorg (2011), met deze term geef ik aan dat ons zorgbestel niet bestaat uit een markt, zoals de dominante mythe van de VVD is sinds 2005 en waar velen intrappen, maar dat staatssturing en polderconvenanten dominant zijn, zodanig dat het in geen enkele normale markt zou kunnen bestaan, in die zin is het Nederlands stelsel nog steeds een volledig politiek project en, net als in China, onder dat dominante politieke en staatssysteem is aan de randen een beetje marktwerking. Het is ook vreemd hoe politiek links, de SP voorop, nu meent de uitwassen van dit stelsel te moeten doorbreken door juist de zorgverzekeraars te nationaliseren en te fuseren (het zgn Zorgfonds) en dus verder onder diezelfde staatssturing te brengen, alsof je problemen oplost door degene die nu al jarenlang stuurt nog meer hiërarchische zeggenschap te geven! Terwijl juist zorgverzekeraars nu functioneren als verlengde arm van de minister.  Vele bepalingen en bijbehorend toezicht maken dat ze geen vrijheden hebben in hun tarieven, inkoop, contractering, bestemming winst noch hun kostenstructuur. Het valt allemaal volledig binnen publieke regels, er is geen enkele vrijheid of prikkel tot ondernemen! Ik noem dit gedrag van de SP in mijn laatste boek het grootste nadeel van het publiek/private bestel met maatschappelijke ondernemingen: het is geen publiek-private partnership, for better or worse, maar het private dient als private façade waarachter de politiek altijd kan schuilen als het fout gaat.

Ten vijfde, Burgerschap in de Boardroom (2014), dit begrip komt rechtstreeks voort uit mijn proefschrift waarbij ik governance-structuren vergeleken heb in hun waarden-invloed op maatschappelijk leiders. Vernieuwende punt daarbij was dat ik het fenomeen en optreden van maatschappelijk leiders ook plaatste in bestuurlijke posities, zowel in bedrijfsleven als in nonprofit organisaties en dus niet alleen in vrijwilligerswerk en informele verbanden. Oftewel in de civil society, wat veelal, ook internationaal, gebeurt. De populistische discussie over een ‘foute’ of ‘egoïstische’ elite tout court – alle elite is dan schijnbaar ‘fout’ – moet aangegrepen worden om discussie te voeren over wat voor soort leiderschap willen wij dan wel in bestuur en boardrooms? 

Al deze termen werden eerst met verwarring of zelfs afgrijzen ontvangen, toch lopen ze nu overal in publieke debatten mee en kan ik het ook vaak opnemen in mijn lezingen omdat men de onderliggende analyse en strategische inschattingen herkent.