Aanvullend menu

Cultuursector van passief consumeren naar co-produceren: Antwoord op Disruptieve Burger

DEN afb p17

De nieuwe sociale technologie die ook de opkomst van de disruptieve burger verklaart en mogelijk maakt (term gelanceerd door Public SPACE in FD artikel mei 2015), kan en moet bij de professionele cultuur leiden tot meer interactie (al te zien bij musea), meer belevenis (maakte ik al mee bij een virtuele historische rondleiding door Middeleeuws Brugge), meer gezamenlijke oordeelsvorming (Publiek geeft Sterren) en meer co-productie (Akten Amsterdams Archief). Op allerlei plaatsen zie ik aanzetten voor die trend in de cultuursector. Mijn laatste bijdrage in dat verband was bij een conferentie van het DEN Kennisinstituut over Digitalisering van Cultuur en Erfgoed. De disruptieve burger gaat dus de aanpak en uitvoering van de kernfunctie van de cultuursector, Inspiratie & Impact, fundamenteel veranderen.

De conclusie dat we richting moderne burger veel meer moeten komen tot co-productie, in alle vormen van publieke dienstverlening,  staat in mijn laatste boek: ‘Burgerkracht met Burgermacht’ en is bevestigd in meer dan 100 debatten en lezingen sindsdien, specifiek voor de cultuursector ook in een interview met mij in mei 2015 in MM Nieuws. In mijn boek refereer ik aan de disruptive citizen: de nieuwe sociale technologie lokt een forse mentaliteits- en machtsverandering uit voor burgers: de macht over data en informatie, beschikbaarheid van beelden at your fingertips, massaal onderling bereik en community-power. Daardoor is inspraak en medezeggenschap al lang weggegeven en dus als elitair paternalistisch sociaal gerustellend mechanisme voorbij. Het enige antwoord dat bij de nieuwe tools, vaardigheden en houding past is co-productie: “Waar wil en kan u zelf aan bijdragen? Wat zijn onze opties om dat voor u mogelijk te maken? Wat zijn onze arrangementen voor uw co-productie? Hoe kunnen we actief bijdragen aan uw culturele beleving en dus onze impact en uw inspiratie?”

De toekomst van de professionele cultuur richting disruptieve burger zit, net als in zorg, onderwijs en volkshuisvesting, dus in co-productie: meedoen, meebeleven, mee-ervaren. Dat is nog een lange weg te gaan. De cultuursector hanteert dezelfde verdedigende argumenten als die andere sectoren: “Wij zijn professioneel en ervoor opgeleid. Wij hebben terecht dit monopolie want wij kunnen het beter. De burger is een amateur die het niet begrijpt en vooral aan ons moet overlaten.” De nadruk op de creativiteit en het artistiek talent, die volstrekt terecht is in het streven naar en als basis voor waardevolle cultuurproductie, leidt hier, als het te vanzelfsprekend en te gemakkelijk wordt verondersteld, tot eenzelfde arrogante attitude en eenzelvig aanboddenken als ik nu nog vaak zie in die andere sectoren met een groot publiek belang en bereik. Juist vanwege dat grote publiek belang kunnen zij echter niet om de disruptieve burger heen.

De term co-productie kan juist in de cultuursector ook tot grote misverstanden leiden. Natuurlijk zijn we huiverig voor amateur-kunst en voor goed bedoelde maar middelmatige of geborneerde cultuurproductie. Dat bedoel ik dus zeker niet met co-productie, maar wel inschakeling van de nieuwe technologie bij meer meedoen, meer beleven, dieper ervaren, kortom: meer inspiratie.

‘Cultuur’ is natuurlijk een verwarrend woord: alles waar we in en mee leven, alle betekenissen die we hanteren, alle normen en waarden die we geleerd hebben, alle frames en mythes die we hanteren om de moderne wereld te begrijpen, vallen onder het begrip ‘cultuur’. Wat de cultuursector en beleidsmakers eromheen, meestal hiermee aanduiden is de institutionele sector, bestaande uit erkende cultuurorganisaties en kunstenaars tezamen die, vaak voor hun beroep, bijzondere cultuuruitingen, zoals beeldhouwwerken, schilderijen, klassieke muziek, podiumkunsten en musea voort- en aan de man brengen. Wat het een (Professionele Cultuurproductie) met het ander (Cultuur als gegroeid gedrag en betekenisgevende context) te maken heeft, is open voor fundamenteel debat, maar hier nu niet het onderwerp. Ik noem het omdat het in dit kader wel heel relevant is, omdat een van de grote effecten van disruptie is dat The Big Why van organisaties en instituten en gegroeide routines ter discussie komen: “Waarom doen we het zo? Waarom hebben we de routines van vaak decennia geleden? Waarom bestaan wij als organisatie?” En sterkst: “Waarom hebben we aandacht en erkenning en publiek?”

Die huidige dominante vormgeving van de kernfunctie van Cultuurproductie (Inspiratie & Impact) als passief consumeren begint vooral nu op te vallen door de hedendaagse confrontatie met wat die disruptieve burger op allerlei terreinen inmiddels leert verwachten: eigen regie, eigen inzicht, onderlinge communicatie en ruil, ook van recensies en preferenties, kortom: meedoen, meebeslissen, meezoeken, meesturen. Een speurtocht naar de onderliggende motieven die die gegroeide inzet op dat passief communiceren verklaren, leidt uiteindelijk tot de constatering dat het huidige passieve frame voortkomt uit en voedend is voor een geheel niet-artistieke, maar vooral sociale reden: het deelnemen of bezoeken van professionele cultuuruitingen vanuit de wens bij een sociale groep te horen, te laten zien dat je ‘het snapt’, dat je dezelfde culturele voorkeur hebt als de ander van de groep waar je bij wil horen. Motieven die dus heel goed passen bij een passieve rol naar cultuurproductie zelf, men komt immers pas los bij de onderlinge ontmoetingen, veelal in pauzes of na afloop. Daarom gaat het ook vaak over zgn. ‘hogere’ cultuur om de lat van de groep hoger te leggen. Mooiste voorbeeld van passief volgen van deze ‘hogere’ cultuur is natuurlijk klassiek ballet:

Er is recent een schrijnender voorbeeld bijgekomen: 2 oude, op zichzelf niet eens zo mooie of inspirerende, schilderijen kopen van een al eeuwenlang erkend schilder (dus een conservatief en volledig veilig non-oordeel over culturele kwaliteit), namelijk Rembrandt, voor 160 miljoen (en dan nog voor half-bezit), terwijl je net 200 miljoen hebt bezuinigd op de actuele cultuur, die er qua impact en inspiratie natuurlijk vele malen meer toe doet en ook veel spannender is qua cultuur-oordeel. De bezuiniging zelf was misschien ook een cultuuroordeel, maar is zo nooit gebracht.

Gelukkig zijn er inmiddels in de cultuursector vooroplopende moderne experimenten tot inschakeling van de moderne technologie bij co-productie door burgers te zien.

Musea hebben de noodzaak van nieuwe technologie door. Hier faciliteert het de onderlinge oordeelsvorming en beleving van een gezin bij een schilderij:

Bij schouwburgen ontstaat toenemend het instrument dat je als publiek oordelen kunt geven (zoals bij hotels boeken al normaal is), onder de noemer ‘Het publiek geeft sterren’. Hierin loopt het Parktheater Eindhoven voorop: 

Ik zie nog verdergaande varianten, zoals via Virtual Reality met een beroemd kunstenaar, en dat mag best Rembrandt zijn, mee-schilderen en je eigen resultaat virtueel zien. Of: thuis na koop kaartje voor toneelstuk mogen meebeslissen welke scenes wel worden vertoond en welke niet. Of: in de schouwburg onderling al kunnen vertellen wat je opvalt of wat je waardeert. Of: ieder maakt zijn eigen (amateur)-kunstwerk en via een bepaalde community wordt daarvan een eigen kunstwerk samengesteld. En: een communityproject van gezamenlijke kunstwerken, bijvoorbeeld ieder een eigen poster, dat tezamen een schrijnend levend verhaal vertelt via zo’n  gezamenlijk kunstwerk.

Tegelijk is de hoopgevende conclusie voor de cultuursector dat we overal zien dat deze virtualisering juist noodzaak en behoefte aan fysiek contact uitlokt. Musea, theaters en festivals hebben dus veel toekomst, mits je op communicatief en co-producerend gebied meegaat in deze moderne tijd met het moderne publiek. De grootste bedreiging immers is dat alle culturele producten, van film tot muziek, van schilderijen tot beeldhouwwerken, bij handhaving van het passieve frame beter geschikt zijn voor ‘on line’ consumptie in eigen kring. Een zeker ook bedreigend scenario is dat juist het huidige, vergrijzende, publiek gewend is aan en ingesteld op die passief consumeren- stijl en dus mogelijk ook komt om andere, meer groepsgerichte redenen, dan puur culturele. Maar dat publiek krimpt. Nieuwe jonge aanwas zal er echter niet komen als dat passieve frame zo blijft. De jeugd is inmiddels gewend aan de zelfregie en actief meedoen die horen bij disruptie. Daarmee zal die traditionele professionele cultuurproductie zelf krimpen of zijn weg online gaan zoeken.

Er ligt hier mogelijk ook een kans. Het kan zijn dat ook meer diverser publiek nu vooral afwezig is door het huidige dominante, maar traditionele publiek en het passieve frame. Meer meedoen, meebeleven, meesturen is mogelijk ook de grondslag onder meer diversiteit in het publiek, omdat het hun behoefte rond cultuurproductie meer raakt?

De enige manier om tegen te gaan dat huidige cultuurproductie online zijn weg moet zoeken, is om van fysiek bezoek een belevenis, een culturele inspirerende ervaring met culturele impact te maken! De moderne technologie helpt daar alleen maar bij!